Over de tijd van weleer en ‘Onzen bahut’

0
394


E-column: ” Over onze dagelijkse kast uit 60-tiger jaren.”

Een ‘bahut’ was bij ons in de Vlaamse Ardennen en ook in Le Pays des Collines, in de 1950- ’60 jaren, nog een begrip voor een ‘alledaagse kast’ die meestal in de woonkamer stond.

Wie toen een eetplaats bezat had een bemeubelde plaats waar zeker een buffetkast, een dressoir en ook een grote tafel met 6 of meer dezelfde stoelen. Bij ons thuis hadden we, toen ik er in de jaren 1950–60 opgroeide, een ‘bahut’ in de woonkamer. In de eetkamer, die we uitzonderlijk gebruikten, stond een dressoir waarin het beste koffie- en eetservies en schone glazen stonden. Ook het linnen tafellaken, of het tafeltapijt en de servetten hadden onderaan in het dressoir een plaats. Het dressoir was een kast van ongeveer 1,15meter hoog en ongeveer 2,80meter lang.

‘Den bahut’ die in de woonkamer stond, was een kast van ongeveer 1,90meter hoog en 1,20meter breed. Deze kast bestond uit een onderkast van 1 meter hoogte waarop een bovenkast stond; maar tussen de boven- en de onderkast was er over de gehele breedte van de kast een opening van laat ons zeggen 40cm hoog, in deze opening hing er, tegen de rug van kast, een spiegel, boven de opening stond de bovenkast van ongeveer 50cm hoogte.

Bij ons had de bovenkast glazen vitrodeuren, het waren glas-in-lood deuren in een houten kader (frame). De gehele bahut bestond uit eikenhoutenplanken langs buiten en beuken legplanken binnenin. Het gehele meubel was lichtbruin gebeitst en blinkend gevernist.

In de onderkast, die ook 2 laden bevatte, stonden de kaffeezjatten, de teljoren, de soepteljoren en ook drinkglazen voor het dagelijkse gebruik. De suikerpot en ook enkele confituur potten stonden in de onderkast van ‘den bahut’, heb ik onthouden.

In de laden stond een ijzeren koffertje met slot en sleutel erop, waar enkelgeld (muntstukken) en soms briefjes van 20Bef inlagen. Ook onze moeder haar portemonnee, schrijfgerief, notabriefjes, briefpapier, enveloppen en enkele postzegels lagen mooi verdeeld, en op plaats, in de schuiven.

In de opening en voor de spiegel stond er een gekleurd glazenservies en een soort wijnkaraf, deze werden nooit gebruikt, wel zeer regelmatig afgestoft! Verder stonden ze daar maar te spiegelen voor de ‘zjaer’ -zoals we dit zegden- voor de schone schijn ( pour être de classe), of zoiets. In de bovenkast lagen er achter de glas-in-lood-deuren, die we heel voorzichtig moesten openen omdat de gekleurde, matte en gehobbelde ruiten niet uit het lood zouden vallen, langs de linker deur allerlei soorten glazen en lege bokalen. Langs de rechterdeurkant stond een koffieservies om eens te gebruiken, voor een koffiekransje, bij een bezoek in de week dat meestal in de namiddag doorging en in de woonkamer plaatsvond. Daar stond ook steeds een blikken koekendoos bij, waarin meestal petit beurs of Rachel-koekjes lagen.

Veder stond in onze woonkamer, voor ‘den bahut’, de tafel, waar we dagelijks aanzaten om te eten, met één kant tegen de muur. Er stonden daar ook 6, geel geverfde stoelen met een bruine zitting. Tot in 1970 stond er ook een Leuvense stoof in de woonkamer en vanaf 1960 ook een televisie. Deze stond in een hoek op een roltafeltje en bij de deur van de plaats waar ‘het salon’ in stond, maar we gebruikten het woord ‘salon’ nooit, we spraken wel van ‘de plaats waar de zetels staan’. In de weekends werd de tv dan meestal naar de plaats waar de zetels stonden gerold. De platte antennedraden moesten dan onder de deur geschoven worden, de elektriciteitsdraad met de stekker werd in het voorziene stopcontact gestoken en we konden van in onze zetels, via de antenne naar BRT, RTBF , Rijsel en twee Nederlandse posten kijken. Een van de Nederlandse posten gaf duidelijkere zwartwitbeelden bij mistig weer dan bij helder weer.

Op zondagavond of op maandag werd de televisie dan weer naar de woonkamer gerold, maar dan moesten de antennedraden terug onder de deur worden geschoven! In deze periode, mijn ouders hadden hun huis verbouwd in 1957, heeft mijn moeder ook een luster laten ophangen ter vervanging van de ‘abat-jour’, een roodachtige stoffen lampenkap met kwastjes (flochkes) eraan, die meer moest afgestoft worden als dat er licht uitkwam. (de abat-jour verlichtte wel goed de tafel, terwijl het overige van de kamer toch tamelijk duister bleef.

Verder was er naast de woonkamer een schotelhuis; onze ouders spraken nooit van de keuken, wel van het schotelhuis. In het schotelhuis stond het gasvuur en de afwasbak (geen pompbak); wij hebben altijd een pomp en pompbak buiten gehad. Binnen stond er een afwasbak met een kraan op de waterleiding en zonder boiler! Om af te wassen moest de ‘moor’ (de waterketel) gevuld worden met water en opgewarmd worden: in de zomer op het gasvuur, in de winter stond er steeds een van de waterketels op de stoof in de woonkamer.

Verder stond er in het schotelhuis ook een bahut, een oude van tussen de 2 wereldoorlogen, dit meubel was een erfstuk van bij mijn vader zijn ouders. Hierin stonden in de onderkast aluminium- en gelakte kommen en braadpannen van onze moeder. Boven stonden er bierglazen, waarop ‘Export’ stond. Ook de boterpot, de smoutpot en de solomargarine en ook de potten met mosterd, pickles, ajuintjes, evenals olie – steeds maisolie –, en de azijn –altijd van de blauwe hand –, ook de zout- en peperbus alsook de rasp met nootmuskaat en een potje currypoeder stonden, in het schotelhuis, in de bovenkast van de bahut.

Rond 1960 kochten mijn ouders ook een diepvrieskast maar dat apparaat kreeg een plaats in de plek waar onze trap inkwam en waar ook de elektriciteitsteller (de conteur) stond. ’t Was nog n’n conteur met zekeringen (plomps) die functioneerden met koperdraadjes.

 

De gedachte om te schrijven, of te vertellen, over de tijd dat iedereen een bahut had, is bij mij ontstaan tijdens een verblijf in de Franse stad Bordeaux. Plots wandelden we daar in de ‘Rue des Bahutiers’. We merkten er meteen ook het restaurant ‘Ô Petit Bahut’ op.

Na enig overleg met mijn eega en onze vrienden, die eraan twijfelden of het hier om een bahut ging zoals wij dat woord kenden; ben ik naar groepje mensen toegestapt. Ik vroeg hen of ze van de stad Bordeaux waren, waarop ze bevestigden. Daarna vroeg ik hen enige uitleg over het woord bahut? : ‘ C’est un meuble, monsieur! Une sorte de placard, un buffet.’

 

Meteen waren onze zes vrienden en mijn echtgenote ervan overtuigd dat ik gelijk had en dat het hier over het meubel ging dat vooral in de 1950- 60 jaren heel populair was bij ons. Net zoals ik beweerde wanneer ik de naam ‘Bahutiers en bahut’ zag en hen zei “dat het waarschijnlijk om meubelmakers ging die kasten maakten”. Waarop iemand van de groep, vriendinn Marleen, uit Denderleeuw, me onmiddellijk gelijk gaf met de woorden: ‘ Awel Karel, ik paays dat euwk!’

Karel De Pelsemaeker karel.depelsemaeker@telenet.be

PS: In de reeks ‘Eigen Kweek’ staat in de huiskamer van de familie Welvaert ( gespeeld door: Ria Goudezeune, Sien Eggers, Jos Welvaert, Dirk Van Dijck en zonen Frank Welvaert, Wil Willaert, Steven Welvaert, Sebastien Dewaele,) een bahut. Het meubel komt zelfs dikwijls in beeld! Er staat steeds een witte kan en een grote witte schaal op.

– Wanneer we de etymologie van het woord ‘bahut’ gaan achterhalen vinden we onder andere: komt van – behuut -: een plaats van bescherming; Behuden, ‘verstoppen’ ook nog ‘Baughud’, bescherming; zich schuilhouden, of plaats van bescherming van kostbare voorwerpen.

Hoe dan ook: het woord ‘bahut’ dat in het Franse Bordeaux mijn herinneringen opwekte, heeft een middeleeuwse oorsprong in Germaanse talen onder meer in het oud Nederlands.

 

 

 

 

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here