Over vicieuze cirkels en droogtemaatregelen

0
270

E-column uit Goeferdinge

Het is woensdagnamiddag 7 augustus 13u 30, snikheet, plakkende T-shirt en onderbroek en ook veel dorst!

Mijn eega Vera is juist de deur uit. Ze trok naar de supermarkt om onze huishoudvoorraad aan te vullen. Hierdoor heb ik voor een hele tijd het huis en de tuin voor mij alleen. Na een tiendaagse reis, waarbij we standvastig samen door ons land trokken, was ik daar eigenlijk eens aan toe. Eindelijk kon ik terug eens met mezelf praten, eens bezinnen en eens ferm doen wat ik wou!

Na haar vertrek had ik plaatsgenomen op ons terras in een ligstoel met een parasol erboven. De krant en het boek ‘De Zwarte Hand of het anarchisme van de negentiende eeuw in het industriestadje Aalst’, van Louis Paul Boon, had ik naast me op een bijzet gelegd.

Ik vlijde me in de ligzetel over heel mijn lengte uitgestrekt neer en trachtte aan niets te denken. Doch heel plotseling vroeg ik me af: ‘Hoe het met onze atleet Thomas Van der Plaetsen verder zou gaan?’ Ik had in de krant gelezen dat onze landgenoot geen tweede keer op een rij Europees kampioen in de tienkamp was geworden. Hij was ginder, in het Schotse Glasgow, na het vierde nummer uit de strijd geraakt! De man geraakte niet hoger dan 2,05 meter. Een weerbarstige voet speelde hem al langer parten en deed hem besluiten het toneel, na drie mislukte pogingen over een hoogte van 2,08 meter, te verlaten. ‘Spijtig voor die gast’, dacht ik verder, ‘een dom ongeluk en het is zo snel voorbij. Hij verdient nochtans beter dan altijd pechvogel te zijn, zei ik tot mezelf.’

Een verticale houding aannemend greep ik naar de krant op het bijzettafeltje om ze nog eens even te doorbladeren. Omdat mijn ondergoed de laatste weken steeds maar tergend aan mijn lijf plakte, had een opschrift over ‘Slips zijn de nieuwste modeaccessoires’, mijn nieuwsgierigheid opwekt. Maar de tekst handelde alleen maar over mode van bips en slips voor vrouwen. Voor mijn warmweerprobleem vond ik in het veelbelovende artikel geen oplossing. Ik deponeerde de krant dan maar op mijn abdominale lichaamsdelen en liet mijn gedachten op volle toeren fantaseren over mannenondergoed voorzien van zakjes om ijsblokjes in op te stapelen; dat zou bij zo een extreem weer toch verfrissend zijn.

In gedachten fantaseerde ik nog verder over het comfortabele en luxe leventje dat we hebben, om me uiteindelijk te ergeren over het feit dat wij westerlingen, met al ons geld, alles kunnen kopen: modieus zomerondergoed, parasols, ligstoelen, aircotoestellen, waterstofzuiger, en nog veel andere luxespullen om warme zomerdagen mee door te brengen.

Pure commerce is het en veel mensen zijn de laatste weken, met al hun geld, massaal koelte geweest kopen! Ik had tijdens het weekend, van 4 augustus, op de parking van een supermarkt aan de Groteweg in Overboelare een kennis ontmoet. Hij had zijn, met airconditioning uitgeruste, auto volgeladen met vlees en houtskolen die hij bij de beenhouwer had gekocht. Hij zou op zondag zijn vrienden ontvangen bij de barbecue. Nu was hij juist nog een mobiel aircotoestel, dat hij bij de warenhuisketen online had besteld, aan het inladen. Hij ging er zijn veranda mee op een aangename temperatuur houden. Ik had tijd en bleef geïnteresseerd luisteren naar zijn beklag over die onverdraaglijke temperaturen, maar waarin hij toch lekker bij de barbecue zou gaan staan!

Tijdens dat blablabla-gesprek was er in mijn achterhoofd een belletje gaan rinkelen! Een alarm, dat me meteen deed beseffen, dat het een geluk is dat Zuid-Amerikanen of sommige Aziaten en Afrikanen niet over zoveel geld beschikken als wij. Mochten die mensen, die op plaatsen wonen waar de temperaturen gedurende nog langere perioden nog extremer zijn dan bij ons, zoveel geld kunnen uitgeven als wij, dan zouden ook zij – én misschien meer terecht dan wij – ook, met al hun geld, koelte in de supermarkten gaan kopen. Het staat als een paal boven water, dat hierdoor de vicieuze cirkel van pollutie en gevaarlijke fijne stofdeeltjes, nog kwaadaardiger zou worden!

Ik vlijde me opnieuw languitgestrekt neer in mijn ligzetel en overpeinsde over de menig die wetenschappers hebben over het voelbaarder worden van de opwarming van de aarde. Ik las zelfs een artikel waarin een Leuvense professor beweerde, dat wij hier in Vlaanderen slecht ingesteld zijn tegen droogteperiodes: ‘We zouden veel meer industrieelafvalwater moeten recupereren en onze huizen zouden meer regenwater moeten opvangen.’ Nadat ik zijn relaas had gelezen, deelde ik zijn menig. De overheid zou hierbij zeker voorbeeldig kunnen optreden, dacht ik:

Ik heb vijf jaar in Brussels, meer bepaald, in Sint-Gilles in de Munthofstraat, in het oude Muntgebouw gewerkt. Een gebouw dat er uitzag als een groot kasteel en met een groot plein. Onder de kasseien van het plein zat een grote regenwaterwaterkelder waarvan het water in de muntateliers werd gebruikt. De munt bezat een gieterij en een blachiment, dat is een atelier waar wasmachines in staan om de metaalplaatsjes, waar geldstukjes mee geslagen worden, eerst te wassen en te drogen.

In 1976 zijn we tijdens de maand juni verhuisd naar het nieuwe en moderne Muntgebouw aan de Brusselse Pachécolaan. Dit gebouw was van geen citerne voorzien. Al de muntateliers maakten gebruik van kubieke meters leiding water. Het zielige was dat erop dat moment, tijdens de zomer van 1976, ook maatrelen werden getroffen om geen water te verspillen.

Wanneer ik hierover verder ging nadenken, ben ik tot de conclusie gekomen dat, sinds er in Vlaanderen bijna overal openbare waterleiding is voorzien, er omzeggrens geen citernes, laat staan waterkelders, zijn geplaatst. Ook bij nieuwe overheidsgebouwen, zoals gemeentehuizen en bibliotheken, worden geen regenputten geplaatst. Ook de grote tuicentra en gebouwen van winkelketens, die dagelijks liters water gebruiken, hebben in verhouding met hun waterverbruik niet voldoende regenwateropslag, wat nochtans als vanzelfsprekend zou moeten zijn.

Wellicht hebben de droogte en de bloedhete dagen van de voorbije weken ons een les geleerd en er ons op gewezen wat in de toekomst te wachten staat?

Wij hebben ons alleszins, veertig jaar geleden al, een regenput van achtduizend liter laten plaatsen en beschikken over regenwater waarmee onze wasmachine gevoed wordt en waarmee ik mijn, m’n vrouw zegt toch altijd dat ze van mij zijn, talrijke bloempotten water geef.

Karel De Pelsemaeker. karel.depelsemaeker@telenet.be

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here